JHWHN.INFO

HOME
PSALM 45:17 : "...en ik wil Uw naam vermelden in alle toekomstige geslachten"...

- terug -

LACHISBRIEVEN
Datum:

7de eeuw v.C.

 

Het vroegere Lachis in Israël (nu Tell ed-Duweir) was vroeger een vestingstad die in de geschiedenis van Israël een belangrijke rol speelde. Opgravingen in Lachis hebben aan het licht gebracht dat de stad klaarblijkelijk binnen enkele jaren tweemaal verwoest werd door vuur - naar men aanneemt in 618-617 en in 609-607 voor Christus. In de as van de tweede brand werden in 1935 en 1938 tezamen 21 beschreven potscherven gevonden. Deze potscherven worden ook wel ostraka genoemd (enkelvoud: ostrakon). Deze ostraka waren eigenlijk geschreven brieven. De brieven werden geschreven in een buitenpost van Judese troepen en waren gericht aan Ya'osh, een militaire bevelhebber in Lachis. De achtergrond van de brieven had te maken met dreiging die uitging van Nebukadnezar, de koning van Babylon. Vanwege de joodse opstand rukte Nebukadnezar op naar Jeruzalem.

 

In brief IV staat:

“Moge JHWH doen horen [mijn he]er nu vandaag een tijding van geluk! Welnu, overeenkomstig alles waarover mijn heeft gezonden, zo heeft uw knecht gedaan. Ik heb geschreven op de papyruskolom overeenkomstig alles waarover [mijn heer to]t mij heeft gezonden. En wat betreft mijn heer heeft gezonden betreffende de zaak van Bet Harafid: daar is geen mens. En Samachjahu - Semajahu heeft hem gepakt en heeft hem doen opgaan naar de stad. En uw knecht - ik kan [niet] zenden daarheen de getui[ge vandaag], maar pas in de loop van morgenochtend [kan hij komen]. En hij moge weten dat wij zelf op het rooksignaal van Lachis letten, overeenkomstig alle tekens die mijn heer geeft want wij kunnen Azeka niet zien.” - we tonen deze ostrakon hieronder.

Interessant op te merken is dat ook de Bijbel over deze situatie spreekt in Jeremia 34:6, 7: "De profeet Jeremia dan zeide tot Sedekia, den koning van Juda, al deze woorden te Jeruzalem; terwijl het leger van den koning van Babel krijgvoerde tegen Jeruzalem en de enige nog niet ingenomen steden van Juda, Lachis en Azeka, want dit waren de versterkte steden van Juda die overgebleven waren." (Leidsche vertaling).

 

Facsimile's gemaakt door B. Bonte

 

 

Ook van andere brieven willen we de vertaling weergeven:

Ostrakon II:

“Aan mijn heer Jaos. Moge YHWH doen horen aan mijn heer een tijding van vrede, nu vandaag, nu vandaag! Wie is uw knecht - een hond, dat mijn heer zijn [kn]echt gedenkt? Moge YHWH mijn heer de eerste laten zijn. Vertel wat gij niet weet.”


Ostrakon III:

“Uw knecht Hosajahu zendt om te bericht[en aan] mijn [he]er J[a]o[s]. Moge YHWH doen horen aa[n] mijn heer een tijding van vrede en een tijding van geluk. Welnu, open toch het oog van uw knecht voor de brief die gij hebt gezonden aan uw knecht gisterenavond! Immers het hart van uw knecht is ziek sinds uw zenden aan uw knecht en omdat mijn heer zegt: 'Niet weet gij een brief te lezen! Zowaar YHWH leeft! Indien iemand ooit heeft beproefd om aan mij een brief voor te lezen! En ook elke brief die tot mij komt - als ik die heb gelezen, kan ik de [la]ter weergeven geheel en al. En aan uw knecht is bericht, zeggende: afgedaald is de overste van het leger Konjahu, de zoon van Elnatan, om te komen naar Egypte. En Hodawjahu, de zoon van Achijahu, en zijn mannen - hij heeft gezonden om mee te nemen van hier. En de brief van Tobijahu, de knechts des konings, die is gekomen bij Sallum, de zoon van Jada, van de kant van de profeet, zeggende: Hoed u! - uw knecht heeft die aan mijn heer gezonden.”


Ostrakon V:

“Moge [YHWH] doen horen [aan] mijn heer [een tijding van vrede] en [nu vandaag], nu [vandaag!] Wie is uw knecht - een hond dat gij hebt [gez]onden naar uw knecht de brie[ven] aldus? Uw knecht zendt nu terug de brieven aan mijn heer. Moge YHWH u doen zien de oogst in geluk vandaag! Moge Tobijahu aan uw knecht koninklijk zaad br[en]gen."


Ostrakon VI:

“Aan mijn heer Jaos. Moge YHWH mijn heer deze tijd vrede doen zien! Wie is uw knecht - een hond dat mijn heer heeft gezonden [de brie]f van de koning [en] de brieven van de overst[en], [zeggen]de: lees toch! En zie, de woorden van de [oversten] zijn niet goed, doordat zij zwak maken [uw] handen [en laten zin]ken de handen van de ma[nnen]... Hij weet... Mijn heer, zult gij niet schrijven aa[n hen], [zeggende]: [Waar]om doen jullie zoiets [en wel in Jeru]zalem?! Z[i]e, aan de zijde van de koning [en aan zijn huis d]oen jullie deze zaak! Zowaar YHWH uw God leeft! Vo[orwaar, sinds] uw knecht heeft gelezen [deze] briev[en], was er ni[et voor uw] kn[echt enige rust]."


Ostrakon IX:

“Moge YHWH doen horen aan mijn [hee]r een t[ijding] van vrede en [geluk]! Wel[nu] geef brood 10 en [wij]n 2. Stuur terug [aan] uw knecht een woord door de hand van Selemjahu wat wij morgen zullen doen.”

Met betrekking tot het gebruik van de Goddelijke Naam zijn deze Ostraka uitermate interessant. Op nagenoeg alle leesbare ostraka staan worden als "Moge YHWH mijn heer zelfs nu goede tijdingen doen horen!” Een bewijs dat de Goddelijke Naam veel werd gebruikt en dat er in die dagen nog geen bijgeloof bestond om de naam niet te gebruiken!


Bron voor de tekst van de ostraka: "Neem een boekrol en schrijf - tekstvondsten uit het oude Israël" van Klaas A.D. Smelik.

 

 

 

 

- naar boven -